Het sanatorium
Het gebouw, dat in het midden van het domein ligt, wordt bereikt door een lange oprit.
Deze oprit verbindt het hoofdgebouw met de grote baan Brussel - Namen N4.
De toegang wordt benadrukt door een passage onder een luifel.
In tegenstelling tot de frequent toegepaste paviljoenbouw werd hier geopteerd voor één grote blok.
De hoofdtoegang ligt in het verlengde van de toegangsweg in de centrale blok.
De algemene indruk die van het gebouw uitgaat, wordt bepaald door een krachtige volumewerking en een lichte, naar buiten toe open getrokken constructie met de allures van een “grand hôtel”.
De tuinaanleg versterkt deze indruk.
Het gebouw strekt zich uit over een lengte van bijna 200 meter.
Door zijn groot volume kijkt het neer op zijn omgeving.
Het gebouw is opgebouwd uit een centrale vleugel dat de algemene diensten bevat: onthaal, keuken, refter, feestzaal, ontspanningszaal, operatiezaal, personeelsruimten, bibliotheek.
We vinden er ook de verticale circulatie: trappenhal, liften. Deze is midden in de centrale blok gelegen.
Loodrecht op de centrale blok en ongeveer in het midden ervan beginnen er ook twee vleugels, een linkervleugel (80 m) die noord - west georiënteerd is en ook uitgeeft op de dienstweg die twee verdiepen lager toekomt, half ondergronds.
De rechtervleugel (115 m) heeft een zuid - oost oriëntatie. Deze heeft ook de naam van hospitalisatie - vleugel.
Constructief werd er door de architect geopteerd voor een betonnen skeletstructuur op een raster van 5.60 m bij 4.30 m, opgevuld met brede, horizontale glaspartijen en baksteenmetselwerk.
Eventuele problemen ingevolge betonkrimp en thermische uitzetting werden opgevangen door het gebouw op te splitsen in 8 licht tegenover elkaar verspringende blokken, gescheiden door speciaal daartoe bestudeerde uitzettingsvoegen.
Binnen- en buitenwanden werden ontdubbeld en gescheiden door spouwen gevuld met kurkplaten, dit met oog op een optimale thermische en akoestische isolatie.
Op het dak stonden er in het groot en in rode letters “PREVOYANCE SOCIALE” dit was aangevuld met een Lotheringenkruis.
Wat velen niet weten is dat deze woorden een essentieel onderdeel zijn van de gevelontwerpen.
Zij bepalen de dominantie van het gebouw op zijn omgeving.
Het geheel contrasteerde ook met de groene omgeving.
De buitengevels werden volledig bekleed met crèmekleurige, geglazuurde tegels.
Ze zijn vastgehecht met cementmortel aan een roestvrij wapeningsnet.
Het was een van de eerste toepassingen in ons land waar een afwerking met ‘slijtvaste’ muurtegels op zo een grote schaal werd gerealiseerd.
In het algemeen opzet stond het geestelijk en fysiek welzijn van de mens centraal.
Dit wordt als het ware gevisualiseerd in de hiërarchische opsplitsing in een patiëntenvleugel die domineert door omvang en vormgeving en een bescheidener, ondergeschikte dienstenvleugel.
De vlakke, lineaire gevelbehandeling van deze laatste vormt een sterk contrast met de uitgesproken plastische werking van de hoofdvleugel, geaccentueerd door het trapsgewijze verspringen van de volumes en door de diepe schaduwwerking van de horizontale raampartijen met in- en uitspringende balkons en terrassen, begrensd door de strakke lijnen van de metalen borstwering, een rechtstreeks gevolg van de medische eis om zoveel mogelijk licht en lucht in het gebouw binnen op te vangen.
Karakteristiek hiervoor is de open kuurgalerij die zich uitstrekt over de gehele breedte en diepte van de patiëntenvleugel, aan de zuid- oostelijke zijde direct aansluitend op de parkzone.
Door de dragende kolommenstructuur volledig open te laten en door de trapsgewijze opbouw van de kuurterrassen werd iedere gebruiker een maximum aan uitzicht en bezonning geboden.
Een overlangs geplaatst glazen scherm zorgde voor de nodige beschutting met de bijkomende mogelijkheid om afhankelijk van de weersomstandigheden de noord- of de zuidgalerij te gebruiken. Het probleem van plaatsen en isoleren van de aan- en afvoerleidingen, een gevolg van het opentrekken van de gelijkvloerse verdieping, kreeg een zowel technische als esthetische verantwoorde oplossing: een 1.80m hoge technische ruimte werd aangebracht onder de verdiepingsvloer, en uitgewerkt als een soort attiek geritmeerd door ronde patrijspoortvensters.
|
Rekening houdend met het langdurig verblijf van de meestal valide patiënten in de inrichting genoot het creëren van collectieve ruimten bijzondere aandacht (eetzaal, salon, bibliotheek, kaartzaal,) met de nadruk op het ontspanningsaspect.
Dit laatste kreeg concreet gestalte in een hoefijzervormige, volledig beglaasde uitbouw met halfondergronds een polyvalente zaal voor recepties, film- en toneelvoorstellingen, en boven een identieke ruimte voor biljart en aanverwante activiteiten.
Dit sterke volumetrische accent in het midden van de tuingevel affirmeert zich terzelfder tijd als rust- en culminatiepunt binnen de strakke, horizontale schijnbaar onbegrensde langsstructuur. Deze nadrukkelijke klemtoon vindt zijn pendant aan het uiteinde van de noordwestelijke vleugel, waar een eveneens volledig opengewerkte rotonde, ingericht als operatiezaal, wordt gecombineerd met een open, overdekt dakterras dat uitzicht biedt op de Lanevallei.
Het belang van beweging als therapie wordt onderlijnd door het indrukwekkende trappensysteem op de kruising van de beide vleugels, de brede gangen en de ruime overgangsruimten.
Een ingenieus systeem gevormd door een brede trappartij tussen enerzijds de toegangshal en de feestzaal en anderzijds de biljartzaal en de refter, geflankeerd door twee kleinere trappen maakte het mogelijk dat bezoekers en patiënten de feestzaal kunnen gebruiken zonder dat de bezoekers ongewenst de ziekenvleugel betraden.
De hoofdtrap die de zes bouwlagen bedient, en de twee identieke uitgewerkte brandtrappen aan de uiteinden van de vleugel, veruitwendigd door een over de gehele hoogte doorgetrokken glazen front aan de ene en een reeks balkons aan de andere zijde.
|
De sobere, functionele benadering, kenmerkend voor het hele opzet, komt ook terug in de binneninrichting. De heldere, geometrische ruimten worden gearticuleerd door de kolommenstructuur die overal zichtbaar is.
Met uitzondering van de wit - zwarte marmeren vloer in de inkomhal en de tegelvloer in de keuken en het badhuis werd overal een dikke grijze linoleum vloerbekleding geplaatst.
Dit materiaal werd ook gebruikt voor de 1.50 m hoge lambrisering. De trapleuning en borstwering bestonden uit een constructie van glazen Pyrexbuizen, opgevuld met dikke matte glasplaten gevat in metalen profielen. Deze trapleuningen werden in het openbaar gedeelte vervangen door een model uit de jaren ’70. De verlichting gebeurde met in de zoldering ingewerkte lichtbronnen en met opaalglazen bollen.
Het gebouw wist zich zonder veel problemen op technische en functioneel gebied te handhaven.
Zijn laatste jaren heeft het dienstgedaan als verzorgingstehuis. Dit kon zonder noemenswaardige aanpassingswerken, mede dank zij de skeletstructuur waardoor de bestaande ruimten vrij eenvoudig konden worden aangepast. Dat is ook de reden waarom de projectontwikkelaar er nu kantoorruimten in wenst onder te brengen.
De Bijgebouwen
Deze hebben een ook een groepskenmerk. Behalve dat de woningen enorm veel kenmerken van Le Corbusier hebben, zijn ze veel kleiner qua oppervlakte.
Al hun gevels zijn betonplaten met steenslag op verwerkt.
1. Het mortuarium
Deze is gelegen op de dienstweg midden in het bos. Het is een eenvoudig dodenhuisje - kapel. Het heeft een hellend dak dat overkraagt.
2. Het economaat
3. De conciërge woning - toegangspoort
Deze ligt aan de ingang van het domein. Over de toegangsweg staat er een luifel, gestut door twee kolommen en afgesloten door een laag, metalen hek. Daarop sluit er ook een conciërgewoning aan.
4. De wasplaats- droogkuis
5. Matrassen atelier
6. De hoofd doktorswoning
Deze bevindt zich halverwege van de brede toegangslaan. Ze is een beetje verscholen in het bos.
Het Park
Het park is aangelegd in de Franse tuinstijl.
Aan de hoofdingang van het gebouw ligt er een soort ereplein.
Aan de achterzijde, waar de kamers op uitgeven, is er een geometrisch opgebouwde bloementuin.
Spijtig genoeg is nu alles verwilderd.
Alhoewel ook de omgeving beschermd is van het sanatorium.
De heer Joseph Lemaire, wie was dat?
Hij is geboren in maart 1882 en op 4 juli 1966 overleed hij op 84 jarige leeftijd.
Hij was tijdens de bouw van het sanatorium te Tombeek de toenmalige directeur-generaal van de PS.
Het idee om de opbrengsten van de verzekeringsmaatschappij duurzaam te investeren kwamen van hem.
Bovendien moesten de werken “ten dienste staan van de bevolking.”
Hij vond het belachelijk om de opbrengsten terug te storten aan de aangesloten leden.
Het sanatorium te Tombeek is naar hem genoemd maar in zijn memoires spreekt hij liever over het project te Tombeek.
Dit deed hij ook met andere verzorgingstehuizen van de PS. Hij wou dat ze benoemd werden naar hun locatie. Hij had bovendien een totaal ideologisch ideaal beeld voor het socialisme.
Hij was de opdrachtgever achter het sanatorium en andere kuuroorden van de PS.
Alles is begonnen met het preventorium en wezenhuis te Solières.
Steeds moesten de verzorgingstehuizen voor staan op de meest moderne voorzieningen.
Alleen zo kon men het beste geven aan de patiënten.
Het was ook een prestige project tussen de concurrerende maatschappijen van andere strekkingen.
Ook het feit dat de voorstudie voor de bouw van het sanatorium begonnen was voor dat ze de grond hadden. Hij had dus een grote zelfzekerheid.
Het leven in het sanatorium Joseph Lemaire
De hele organisatie van het leven en het werken in het sanatorium was ook op voorhand uitgedacht.
Zo werkte er een 80tal personeelsleden maar er waren maar 8 verplegers.
Deze waren verplicht in het instituut in te wonen.
Ze hadden er kamer in de dienstruimten.
Er waren 5 dagverplegers voorzien, één voor het nachtwerk en 2 die stand-by stonden om de nachtverpleger te vervangen bij verlof.
De hoofddokter had een eigen woning op het domein.
De gespecialiseerde artsen kwamen wekelijks langs.
De patiënten hun leven en dagindeling was ook bepaalt in het kuuroord.
Ze leefden per verdiep samen in leefgemeenschappen.
De verdeling werd gemaakt op basis van de ernst van de TBC.
Beweging werd aangemoedigd, daarom dat ze samen aten in een refter en er een grote ontspanningszaal aanwezig was.
Ze hadden ook de mogelijkheid om te gaan wandelen in het park.
En dan waren er ook de grote kuurgalerijen waar de patiënten konden (moesten) rusten.
Op ieder verdiep waren er zo van die terrassen aanwezig.
Op de hogere hadden ze zelfs een mooi uitzicht op de Lanevallei.
Door de oorlog en de prijs van het lange verblijf gingen veel patiënten te vroeg terug naar huis.
De duur van de behandeling werd met de jaren steeds korter.
Dit was te danken aan de betere medicatie voor de TBC-patiënten.
Hierdoor ontstond er wel een overschot aan bedden in het sanatorium.
De Toekomst van het gebouw
Sinds 1987 heeft de PS besloten om het ziekenhuis te sluiten.
Dit was naar aanleiding van de grote sanering in de ziekenhuis sector.
Dit was wel vreemd vermits het sanatorium geld opbracht, en ze pas een deel van de ramen hadden vernieuwd.
Vanaf toen brandden de levensgroot in fel socialistisch-rode letters “Prevoyance Sociale” niet meer over de Lane-vallei.
Het was gedaan met de rode letters in de groene omgeving.
Maar 200 miljoen Bfr om te stoppen was blijkbaar interessanter.
In december 1992 werd het gebouw, zijn bijgebouwen en zijn omgeving beschermd als monument.
Er mag nu niets meer veranderd worden aan de gevels en de ramen aan de buitenzijde.
Zij hebben het in oktober 1994 verkocht aan een vastgoedmakelaar , Herpain, die het op zijn beurt probeert te verkopen om er kantoorruimte van te maken.
Er hebben wel al grote bedrijven naar geïnformeerd, maar steeds haken ze af...
Bron : Vjo